Book Series Brepols Nederlandstalig fonds

Stationsarchitectuur in België

Deel II, 1914-2003

H. De Bot (auth)
H. De Bot (ed)

  • Pages: 208 p.
  • Size:297 x 210 mm
  • Illustrations:300 b/w, 85 col.
  • Language(s):Dutch
  • Publication Year:2003


Not Available
  • € 42,45 EXCL. VAT RETAIL PRICE
  • ISBN: 978-90-5622-052-5
  • Paperback
  • Not Available


Summary

Na de Eerste Wereldoorlog kon België slechts moeizaam herstellen van de schade die aangericht werd aan het spoorwegnet. Stations, materieel en seininrichtingen hadden zwaar geleden onder het oorlogsgeweld. Na de oorlog begon een moeizame wederopbouw. Vooral in het westen van het land was de infrastructuur nagenoeg helemaal vernield. Het duurde nog tot circa 1925 voor de infrastructuur helemaal was hersteld. Het Belgische spoorwegnet werd uitgebreid met lijnen die door de oorlogsvoerende partijen om strategische redenen werden aangelegd.

Met het Verdrag van Versailles kwam België bovendien in het bezit van de Oostkantons en werd de Pruisische Vennbahn in het spoorwegnet geïntegreerd.

In eerste instantie bouwt de Staat en vanaf 1926 de NMBS overwegend traditionalistische stations. Einde van de jaren dertig worden de eerste modernistische stations gebouwd.

Na de Tweede Wereldoorlog moeten weer diverse vernielde stations worden herbouwd. Na de oorlog wordt naarstig aan de Brusselse Noord/Zuid-verbinding gewerkt. In 1952 neemt Koning Boudewijn de nieuwe verbinding in gebruik.

In de jaren vijftig keren de architecten zich af van de voor de oorlog ingezette modernistische architectuur. Een neoconservatieve heimat-architectuur maakt de dienst uit. Expo ’58 inspireert de architect in de jaren zestig voor enkele gedurfde ontwerpen. Niet voor lang echter, want de jaren zeventig en tachtig worden beheerst door inspiratieloze functionele architectuur. De elektrificatie van het spoorwegnet na de energiecrisis van midden de jaren zeventig slorpt alle financiële middelen op. De jaren negentig worden dan weer gekenmerkt door enkele exuberante postmodernistische ontwerpen.

Misschien zetten de expressieve transparante stations zoals Luik Guillemins en Halle de toon voor nieuwe extravagante ontwerpen.

Met dit tweede deel wordt de inventarisatie van de stations voltooid. Net als in het eerste deel springen vooral de vele afbeeldingen in het oog. Tot omstreeks 1930 wordt net als in deel 1 vooral gebruik gemaakt van prentbriefkaarten. Nadien doen we vooral beroep op de rijke verzameling foto’s uit het NMBS-archief, eventueel aangevuld met opnames van enthousiaste spoorwegamateurs. Het boek telt 208 bladzijden met circa 350 foto’s waarvan 85 in kleur.